Verdubbelen of verenkelen oefening 2a
Op pe
on twee wacht ik op de trein. (r/rr)
Hij bi
ert van de koude. (b/bb)
Als papa de auto wast, heeft hij zes e
ers water no
ig. (m/mm) (d/dd)
Mama en papa ko
en een nieuwe ze
el. (p/pp) (t/tt)
Op Allerzielen herdenken wij de do
e mensen. (d/dd)
In de weide staat een ku
e scha
en. (d/dd) (p/pp)
's Avonds kijk ik altijd eens naar de ste
en aan de he
el. (r/rr) (m/mm)
Op de scho
el liggen ze
en a
els. (t/tt) (v/vv) (p/pp)
In de Tweede We
eldoorlog gebruikte men veel wa
ens en bo
en. (r/rr) (m/mm)
Mijn neefje van drie jaar speelt veel met blo
en. (k/kk)
Op mijn ka
er staat een fo
o waarop jij en ik staan. (m/mm)
De ju
rouw heeft altijd een kleine ko
er mee. (f/ff) (f/ff)
Mijn te
en he
en koud. (n/nn) (b/bb)
Dieter en Jeroen voetba
en in dezelfde ploeg. (l/ll)
Op de fruitschaal li
en a
els en pe
en. (g/gg) (p/pp) (r/rr)
Ik moet van mama mijn spu
en in mijn ka
er opruimen. (l/ll) (m/mm)
Ik heb de spiegel laten va
en. De stu
en glas la
en verspreid over de grond. (l/ll) (k/kk) (g/gg)
Vraagstu
en oplo
en vind ik moeilijk. (k/kk) (s/ss)
Opa kan heel goed spa
ende verha
en verte
en. (n/nn) (l/ll) (l/ll)
A
e da
en drink ik twee glazen melk. (l/ll) (g/gg)
Ki
en en ki
ers vind ik rare dieren. (p/p) (k/kk)
Op het bord staan tien so
en die we moeten oplo
en binnen het kwartier. (m/mm) (s/ss)
Wij eten a
emaal graag aarda
elen met worst en a
elmoes. (l/ll) (p/pp) (p/pp)
Controleer
OK