| Daar stond een mannetje, boven op een heuvel, te staren en te staren naar een verre ster.
Hij dacht en dacht en droomde over niets anders dan over die verre ster.
Gras groeide en bloeide, bomen werden groot en hoog.
Het mannetje klom in de top van een boom, want misschien kwam hij dan bij de ster. Maar de ster was en bleef even ver weg.

Vogels kwetterden in de bomen, en vlogen op, hoger, steeds hoger, steeds dichter bij de ster.
Vliegen, dacht het mannetje.
Ik moet vliegen.
Ik heb geld om alles te betalen.
Ik heb mannen om voor me te werken.
Ik moet vliegen, ik moet, ik moet, hoe dan ook.
Maak een oefening -->  |