Thema 17: TAALRIJK

De geschiedenis van het stripverhaal
Deel 1: Als een spel

1929! Een hele tijd geleden dus!
De jonge Hergé doet niets liever dan tekenen. Hij tekent een kleine jongen met een kuif. En die jongen doet allerlei gekke dingen. Wat Kuifje denkt of zegt, schrijft Hergé eronder. Of ernaast. Soms ook in de tekening. Dan trekt hij er een cirkel rond: de tekstballon is geboren. Soms tekent Hergé die ballon mooi rond, soms in de vorm van een wolk en wat later gebruikt hij rechte lijnen, hoeken en kantjes.
Weer wat later tekent hij Kuifje met erge hoofdpijn. Als een hamer die op zijn hoofd dondert. In plaats van 'hoofdpijn' te schrijven, tekent Hergé een hamer in de tekstballon

.

"Knap," denkt de tekenaar. "In zo'n tekstballon kan meer dan alleen maar tekst. Daar kunnen sterren in, nagebootste geluiden, prikkeldraad, bliksems..."

De losse tekeningen worden stilaan samenhangende verhaaltjes. Die verzint hij tijdens het tekenen. Soms moet hij wat opzoeken: hoe een paard loopt, hoe je een blaffende hond tekent... En de tekeningen zijn simpel, eenvoudig en duidelijk. Al wat niet nodig is om het verhaal te begrijpen laat hij weg. Heel af en toe maakt hij een schets. Maar bijna alles tekent hij meteen op het blad (de plaat). Eerst snel in potlood, dan wat fijner. Daarna vult hij de tekst in en als hij tevreden is, overtrekt hij alles met speciale inkt: Oost-Indische inkt.

Maak een oefening --> oefening           (extra info over Kuifje via wikipedia - klik hier)

naar bladzijde 3