| Ik tel tot tien en jij moet je ondertussen verstoen. | Voor zoiets krijg je nooit de toesteing van mij! |
| Frieten maak je van aardaels. | In de winkel neem je best een kaetje. |
| Heb je nu alle boodschaen? | De tierman herstelt het dak. |
| Je moet deze getallen bij elkaar opteen. | Hij is geluig met zijn overwinning. |
| Je plaatst de paer in het mielpunt. | Harder op de pedalen traen. |