Werkwoorden: de ik-vorm, de hij-vorm en de noemvorm (of infinitief)
Lees deze zin!
de ik-vorm
de hij-vorm
de noemvorm
Wij maken vandaag een kijkdoos.
ik
hij
De juf deelt het materiaal uit.
ik
zij
De verftafels staan al klaar.
ik
hij
Mieke en Bob vullen de waterpotten.
ik
hij
Jens legt de penselen klaar.
ik
hij
Iedereen gaat flink aan het werk.
ik
hij
Hier en daar zie je al mooie dingen.
ik
zij
Ik plak alles stevig vast.
ik
hij
Zo valt er niets door elkaar bij het naar huis gaan.
ik
hij
kijk na
OK