Werkwoorden: de ik-vorm en de noemvorm (of infinitief)
Lees deze zin!
de stam of ik-vorm
de noemvorm
De klas gaat vandaag op herfstwandeling.
ik
We stappen veilig tot aan het bos.
ik
Iris raapt kastanjes en eikels.
ik
Gekleurde blaadjes liggen op de paadjes.
ik
Ik neem er wat mee voor de knutselles.
ik
Joris doet alles in een plastic zak.
ik
In de klas droogt hij alles op de vensterbank.
ik
Je ruikt de herfst in de klas!
ik
De gepofte kastanjes smaken heerlijk!
ik
kijk na
OK