Vormen van het werkwoord - oefening 5

Opdracht: vul het werkwoord in de juiste vorm in (tt of vt)!
verdienen (tt)Die handelaar veel geld.
snijden (vt)Met een aardappelmesje ze in haar vinger.
verdenken (tt)Hij zijn buurman van diefstal
respecteren (vt)Die klant de overeenkomst niet.
woeden (tt) er nog een steeds een hevige orkaan?
troosten (vt)Ik haar na de dood van haar lievelingsdier.
komen (tt)Waarom jij nu nooit eens op tijd!
weigeren (vt)Ze antwoord te geven op die laatste vraag.
luiden (tt)Elke middag hij de klokken.
haasten (vt) Ze zich om op tijd te zijn voor de trein.