Werkwoordvormen: de ik-vorm of stam + hij-vorm oefening 5

Lees deze zin!
noem-vorm
ik-vorm of stam
hij/zij/jij/het -vorm
Ik snijd mij in mijn vinger.
ik
hij
Ik vind een euro.
ik
zij
Wij branden een kaars voor hem.
ik
het
Soms rijden wij te hard.
ik
jij
Ik bid voor het eten.
ik
hij