Werkwoordvormen: de ik-vorm of stam oefening 2

Lees deze zin!
de noem-vorm
de ik-vorm of stam
Die vrouw schreeuwt altijd naar haar kind.
ik
Vaak spreek jij erg onduidelijk.
ik
Die nieuwe lijm kleeft niet zo goed als de oude.
ik
Woedend schopt hij de bal op het dak.
ik
Een bij prikt gemeen in mijn been.
ik