Werkwoordvormen herkennen
Zoek de persoonsvorm. In welke vorm staat hij?
Mijn ouders gaan naar huis.
- ik of --jij
- één ander
- meer
Joeri fietst graag naar school.
- ik of --jij
- één ander
- meer
De poes drinkt haar melk helemaal op.
- ik of --jij
- één ander
- meer
Ik maak graag sommen.
- ik of --jij
- één ander
- meer
Bloeien de tulpen nu al in februari?
- ik of --jij
- één ander
- meer
Dit papier scheurt meestal in het midden.
- ik of --jij
- één ander
- meer
Mijn zus trouwt volgende week.
- ik of --jij
- één ander
- meer
Mijn oma heeft het altijd koud.
- ik of --jij
- één ander
- meer
Na het zwemmen neem ik thuis een douche.
- ik of --jij
- één ander
- meer
Zwemmen jullie elke week?
- ik of --jij
- één ander
- meer