Volgende eindtermen komen niet voor in "ANKERS"
Milieueducatie
1.17 |
|
De leerlingen kunnen bij de verzorging van dieren en planten uit hun omgeving zelfstandig basishandelingen uitvoeren. |
1.18* |
|
De leerlingen tonen zich in hun gedrag bereid om in de eigen klas en school zorgvuldig om te gaan met papier, water, afval en energie. |
1.19 |
|
De leerlingen kunnen met concrete voorbeelden uit hun eigen omgeving illustreren hoe mensen op negatieve maar ook op positieve wijze omgaan met het milieu en dat aan een milieuprobleem vaak tegengestelde belangen ten grondslag liggen. |
Basisinzichten techniek
2.3 |
|
De leerlingen kunnen in hun omgeving informatieverwerkende toepassingen herkennen. |
2.3bis |
|
De leerlingen leren effectief met informatica en informatieverwerking omgaan. |
Attitudes
2.9* |
|
De leerlingen brengen waardering op voor eenvoudige, inventieve technieken en voor esthetische aspecten van technische constructies en voorwerpen. |
Ik en mezelf
3.1* |
|
De leerlingen drukken in een niet-conflictgeladen situatie, eigen indrukken, gevoelens, verlangens, gedachten en waarderingen spontaan uit. |
3.3* |
|
De leerlingen tonen in concrete situaties voldoende zelfvertrouwen, gebaseerd op kennis van het eigen kunnen. |
Ik en de ander
3.5* |
|
De leerlingen tonen de bereidheid zich te oefenen in omgangswijzen met anderen waarin ze minder sterk zijn. |
3.6* |
|
De leerlingen tonen in een eenvoudige conflictsituatie in de omgang met leeftijdgenoten de bereidheid om te zoeken naar een geweldloze oplossing. |
Sociaaleconomische verschijnselen
4.1 |
|
De leerlingen kunnen illustreren dat verschillende vormen van arbeid verschillend toegankelijk zijn voor mannen en vrouwen en verschillend gewaardeerd worden. |
Sociaal-culturele verschijnselen
4.8 |
|
De leerlingen kunnen illustreren dat verschillende sociale en culturele groepen verschillende waarden en normen bezitten. |
4.10 |
|
weten dat ze in het contact met mensen met een handicap attent moeten zijn voor de noden en verwachtingen van deze mensen. |
Dagelijkse tijd
5.1 |
|
De leerlingen kunnen de tijd die ze nodig hebben voor een voor hen bekende bezigheid realistisch schatten. |
5.3 |
|
De leerlingen kunnen in een kleine groep voor een welomschreven opdracht een taakverdeling en planning in de tijd opmaken. |
Oriƫntatie- en kaartvaardigheid
6.1 |
|
De leerlingen kunnen aan elkaar een te volgen weg tussen twee plaatsen in de eigen gemeente of stad beschrijven. Ze kunnen deze reisweg ook aanduiden op een plattegrond. |
6.1bis |
|
De leerlingen kunnen aan de hand van een kaart de afstand tussen twee plaatsen in Vlaanderen berekenen en beschrijven. |
Ruimtebeleving
6.5 |
|
De leerlingen kunnen aan de hand van een concreet voorbeeld het verschil tussen beleefde en absolute afstand illustreren. |
Verkeer en mobiliteit **
6.12 |
|
De leerlingen kunnen de gevaarlijke verkeerssituaties in de ruimere schoolomgeving lokaliseren. |
6.13 |
|
De leerlingen beschikken over voldoende reactiesnelheid, evenwichtsbehoud en gevoel voor coƶrdinatie en ze kennen de verkeersregels voor fietsers en voetgangers, om zich zelfstandig en veilig te kunnen verplaatsen langs een voor hen vertrouwde route. |
6.14* |
|
De leerlingen tonen zich in hun gedrag bereid rekening te houden met andere weggebruikers. |
6.15 |
|
De leerlingen kennen de belangrijkste gevolgen van het groeiende autogebruik en kunnen de voor- en nadelen van mogelijke alternatieven vergelijken. |
6.16 |
|
De leerlingen kunnen een eenvoudige route uitstippelen met het openbaar vervoer. |
** Deze eindtermen worden behandeld in een aparte methode verkeersopvoeding |