Overzicht ontwikkelingsdoelen kleuters |
motoriek - muzische vorming - nederlands - wiskunde - wereldoriëntatie
1 Motorische competenties |
||
Zelfredzaamheid in kindgerichte bewegingssituaties |
||
|
|
Lichaams- en bewegingsbeheersing |
|
|
|
1.1 |
|
kunnen diverse ruimtelijke hindernissen nemen door middel van klimmen en klauteren, stappen, lopen en springen. |
1.2 |
|
kunnen de eigen bewegingsbaan stoppen, richten en wijzigen afhankelijk van statische en dynamische objecten: andere bewegers, obstakels, bewegende voorwerpen. |
1.3 |
|
kunnen het evenwicht behouden in verplaatsingen en bij houdingen op diverse steunvlakken. |
1.4 |
|
kunnen het eigen lichaamsgewicht veilig opvangen door middel van landen en vallen. |
1.5 |
|
kunnen onder begeleiding kleuteraangepast materiaal veilig heffen, dragen en verplaatsen. |
1.6 |
|
kunnen met een eenvoudig bewegingsantwoord snel reageren op auditieve, visuele en tactiele signalen. |
|
|
Complexe lichaams- en bewegingsorganisatie |
|
|
|
1.7 |
|
kunnen voor verschillende basisbewegingen de ledematen functioneel en gecoördineerd inschakelen. |
1.8 |
|
voeren de voornaamste basisbewegingen uit zonder teveel overtollige meebewegingen. |
1.9 |
|
kunnen vlot en spontaan de zijkanten van het lichaam gebruiken en zijwaarts bewegen. |
1.10 |
|
kunnen de armen en benen afwisselend bewegen. |
|
|
Voorkeurlichaamszijde |
|
|
|
1.11 |
|
tonen een duidelijke linker of rechter voorkeur voor éénhandige taken. |
1.12 |
|
kunnen hun voorkeurhand tonen, wanneer het expliciet gevraagd wordt. |
1.13 |
|
tonen in taken waar tweehandigheid vereist is een duidelijke taakverdeling in gebruik van linker en rechterhand (-voet). |
|
|
Lichaamsopbouw |
|
|
|
1.14 |
|
tonen in het bewegen dat ze de opbouw van het lichaam aanvoelen en kennen en dat ze intuïtief rekening houden met de lichaamsopbouw en met lichaamsgrenzen en -verhoudingen. |
1.15 |
|
kunnen zelf actief omgaan met wijzigingen in de lichaamshouding rekening houdend met de omgeving. |
|
|
Rustervaringen |
|
|
|
1.16 |
|
kunnen komen tot rustervaringen. |
|
|
Complexe ruimte- en tijdsfactoren |
|
|
|
1.17 |
|
kunnen in de ruimte snel een afgesproken plaats terugvinden en er rekening mee houden. |
1.18 |
|
kunnen tijdens het bewegen rekening houden met plaatsaanduidingen. |
1.19 |
|
kunnen handelend rekening houden met een te overbruggen afstand. |
1.20 |
|
kunnen in eenvoudige bewegings- en spelsituaties de meest efficiënte bewegingsrichting kiezen. |
1.21 |
|
passen de eigen beweging aan aan de snelheid en het tempo van bewegende objecten, of aan de tijdsduur van auditieve signalen. |
1.22 |
|
passen het eigen bewegingsritme spontaan aan aan een eenvoudig opgelegd ritme. |
1.23 |
|
zoeken zelf een uitvoeringsvolgorde in een bepaalde opstelling van toestellen. |
1.24 |
|
kunnen twee of meer opeenvolgende hindernissen nemen. |
1.25 |
|
kunnen doelgericht een beweging onderbreken en laten opvolgen door een andere beweging. |
Groot-motorische en klein-motorische vaardigheden in gevarieerde situaties |
||
|
|
Groot-motorische vaardigheden |
|
|
|
1.26 |
|
tonen een toenemende bedrevenheid in basisbewegingen met betrekking tot de kind-eigen bewegingscultuur. |
1.27 |
|
tonen actieve bewegingspogingen om de eigen behendigheidsgrens volgens eigen aanvoelen te verleggen. |
|
|
Klein-motorische vaardigheden |
|
|
|
1.28 |
|
tonen een toenemende bedrevenheid in het functioneel aanwenden van klein-motorische vaardigheden. |
1.29 |
|
kunnen klein-motorische vaardigheden in verschillende situaties met voldoende nauwkeurigheid gedoseerd en ontspannen uitvoeren. |
1.30 |
|
kunnen de functionele grepen gebruiken voor het hanteren van voorwerpen. |
|
|
Opeenvolgende handelingen |
|
|
|
1.31 |
|
kunnen een eenvoudige reeks van opeenvolgende handelingen uitvoeren binnen bewegingsactiviteiten. |
|
|
Bewegingsantwoorden |
|
|
|
1.32 |
|
kunnen een gepast bewegingsantwoord geven op eenvoudige speltaken, bewegingsopdrachten, afspraken en regels. |
|
|
Handelend omgaan met betekenisinhouden |
|
|
|
1.33 |
|
tonen in het handelend omgaan met betekenisinhouden een toenemend begrijpen, toepassen en verwoorden van: |
|
|
|
|
|
Oplossen van kind-aangepaste bewegingsproblemen |
|
|
|
1.34 |
|
kunnen geconcentreerd bezig blijven met een bewegingsprobleem. |
1.35 |
|
tonen belangstelling voor aangereikte oplossingsstrategieën. |
1.36 |
|
tonen pogingen tot verwoorden van gestelde acties. |
1.37 |
|
kunnen creatief verschillende oplossingen voorstellen. |
1.38 |
|
kunnen geleerde bewegingsprincipes toepassen in andere bewegingssituaties. |
|
|
Sensorische prikkels |
|
|
|
1.39 |
|
kunnen gerichte aandacht opbrengen voor verschillende sensorische prikkels en deze rustig laten inwerken. |
|
|
Beweging als expressie- en communicatiemiddel |
|
|
|
1.40 |
|
tonen in hun vrije spel en in geleide opdrachten een spontaan aanwenden van beweging als expressie en communicatiemiddel. |
2 Gezonde en veilige levensstijl |
||
|
|
De kleuters |
2.1 |
|
behouden de natuurlijke vitaliteit en bereidheid om fysieke inspanningen te leveren. |
2.2 |
|
nemen zelf initiatief om groot-motorisch te bewegen. |
2.3 |
|
beleven zichtbaar plezier aan fysieke inspanningen. |
2.4 |
|
ontwikkelen een correcte lichaamshouding. |
2.5 |
|
behouden hun natuurlijke lenigheid. |
2.6 |
|
kunnen in diverse spelsituaties de nodige kracht tonen om het eigen lichaamsgewicht en kleuter-aangepast spelmateriaal te verplaatsen en te dragen. |
2.7 |
|
kunnen een fysieke inspanning een tijdlang volhouden. |
2.8 |
|
kunnen eenvoudige verplaatsingsvormen op snelheid uitvoeren. |
2.9 |
|
herkennen effecten van fysieke activiteit op het eigen lichaam en kunnen dat op hun manier verwoorden. |
2.10 |
|
ontwikkelen een goed hygiënische gewoonte en weten dat zij schoeisel en kledij moeten aanpassen aan de omstandigheden. |
3 Zelfconcept en het sociaal functioneren |
||
|
|
De kleuters |
3.1 |
|
tonen een intrinsieke belangstelling om diverse nieuwe bewegingssituaties te verkennen. |
3.2 |
|
kunnen speels bezig zijn met de eigen beweging en lichamelijkheid. |
3.3 |
|
tonen in het experimenteergedrag dat ze de eigen mogelijkheden en begrenzingen aanvoelen. |
3.4 |
|
tonen een rustige aanwezigheid in het eigen lichaam, voelen de eigen grenzen en tonen een vertrouwdheid met de eigenheid van het lichaam. |
3.5 |
|
tonen in diverse bewegingssituaties een variatie aan innerlijk beleven. |
3.6 |
|
tonen een persoonlijke stijl in spontane expressie. |
3.7 |
|
durven de eigen bewegingsvormen en behendigheden tonen. |
3.8 |
|
kunnen zich emotioneel uiten binnen aanvaardbare grenzen. |
3.9 |
|
kunnen in bewegingssituaties respectvol rekening houden met de veiligheid en de vermogens van andere kleuters en passen hun handelingen aan. |
3.10 |
|
kunnen kleuter-aangepast materiaal uithalen en weer opbergen op de afgesproken plaats. |
3.11 |
|
kunnen materiaal op de geëigende manier gebruiken. |
3.12 |
|
kunnen binnen een eenvoudige spelvorm één tot twee spelregels opvolgen. |
3.13 |
|
gaan spontaan over tot het maken van eenvoudige afspraken binnen het functioneren in subgroepjes. |
1 Muzische vorming - Beeld |
||
|
|
De kleuters kunnen |
1.1 |
|
visuele waarneming en beeldend geheugen versterken en vergroten door beeldelementen te herkennen. |
1.2 |
|
materiaalgevoeligheid ontwikkelen door exploreren en experimenteren. |
1.3 |
|
kleur, lijn, vlak, ritme, vorm en versiering onderscheiden en de ontdekking van beeldelementen verwoorden. |
1.4 |
|
verschillende beeldende, technische middelen aanwenden en samen gebruiken om tot beeldend werk te komen. |
1.5 |
|
impressies uiten in een persoonlijke, authentieke creatie en plezier scheppen in het zoeken en vinden. |
2 Muzische vorming - Muziek |
||
|
|
De kleuters kunnen |
2.1 |
|
klanken, geluiden, stilte en stemmingen in beluisterde muziek ervaren en herkennen. |
2.2 |
|
ritme in beluisterde muziek en liedjes ervaren, herkennen en nabootsen. |
2.3 |
|
signalen, functie en sfeer van beluisterde muziek of liedje ervaren en herkennen, en alleen of in groep reproduceren. |
2.4 |
|
een toenemende stembeheersing ontwikkelen. |
2.5 |
|
met plezier een toenemend vermogen tot experimenteren en improviseren ontwikkelen met klank, stem of instrument. |
3 Muzische vorming - Drama |
||
|
|
De kleuters kunnen |
3.1 |
|
eigen belevenissen, ervaringen, gedachten, gevoelens, handelingen verwoorden. |
3.2 |
|
zich inleven in personages en dingen uit de omgeving en deze uitbeelden. |
3.3 |
|
met een creatief stem- en taalgebruik expressief reageren en belevenissen uitbeelden. |
3.4 |
|
ervaren dat de juiste verhouding tussen woord en beweging de expressie kan vergroten. |
3.5 |
|
genieten van een gevarieerd aanbod van hedendaagse en klassieke kinderliteratuur, en voor hen bestemde culturele activiteiten. |
4 Muzische vorming - Beweging |
||
|
|
De kleuters kunnen |
4.1 |
|
spontaan meebewegen op muziek. |
4.2 |
|
meedoen met bewegingen die tijdens het vertellen van een verhaal aan bod komen, en belangstelling tonen om het bewegingsinspirerend gegeven nauwkeurig te observeren en na te bootsen. |
4.3 |
|
ervaren dat ze een persoonlijke stijl kunnen ontwikkelen. |
4.4 |
|
waargenomen klanken omzetten in beweging. |
4.5 |
|
de eigen dansexpressie verwoorden. |
4.6 |
|
genieten van en belangstellend kijken naar een gevarieerd aanbod van lichaamsexpressie van kinderen en volwassenen. |
5 Muzische vorming - Media |
||
|
|
De kleuters kunnen |
5.1 |
|
alert omgaan met voor hen bestemde audiovisuele boodschappen. |
5.2 |
|
vaststellen dat klanken, beelden en bewegingen elkaar wederzijds beïnvloeden. |
5.3 |
|
de volgorde van een reeks van voorwerpen, prenten, beelden, klanken en geluiden vaststellen, veranderen, schikken, herschikken en er een nieuw verhaal rond vertellen. |
5.4 |
|
bewuster luisteren en kijken naar de hoeveelheden geluiden en klanken en zeer eenvoudige audiovisuele boodschappen. |
6 Muzische vorming - Attitudes |
||
|
|
De kleuters kunnen |
6.1 |
|
openstaan voor nieuwe dingen uit hun omgeving. |
6.2 |
|
ervan genieten bezig te zijn met de dingen die hen omringen om hun expressiemogelijkheden te ontdekken. |
6.3 |
|
vertrouwen op hun expressiemogelijkheden en durven hun eigen expressiestijl tonen. |
6.4 |
|
respect betonen voor uitingen van leeftijdgenoten, behorend tot de eigen en de andere culturen. |
6.5 |
|
genieten van de fantasie, de originaliteit, de creativiteit en de zelfexpressie in 'kunstwerken'. |
1 Nederlands - Luisteren |
||
|
|
De kleuters kunnen |
1.1 |
|
een mondelinge boodschap, eventueel ondersteund door gebaar, mimiek met betrekking tot een concrete situatie begrijpen. |
1.2 |
|
voor hen bestemde vragen in concrete situaties begrijpen. |
1.3 |
|
een mondelinge, voor hen bestemde boodschap, ondersteund door beeld en/of geluid, begrijpen. |
1.4 |
|
door de kleuteronderwijzer gegeven opdrachten, met betrekking tot activiteiten in de klas of op school, begrijpen. |
1.5 |
|
een beluisterd verhaal, bestemd voor hun leeftijdsgroep, begrijpen. |
1.6 |
|
de bereidheid vertonen om naar elkaar te luisteren en om zich in te leven in een boodschap. |
2 Nederlands - Spreken |
||
|
|
De kleuters |
2.1 |
|
kunnen een voor hen bestemde mededeling en/of een verhaal zo (her)formuleren, dat de inhoud ervan herkenbaar overkomt. |
2.2 |
|
kunnen spreken over ervaringen of gebeurtenissen uit de eigen omgeving of over wat ze van anderen vernamen. |
2.3 |
|
kunnen spreken over gevoelens als blijheid, angst, verdriet, verwondering. |
2.4 |
|
kunnen uitleggen hoe zij in een activiteit van plan zijn te werken of hoe zij werkten. |
2.5 |
|
kunnen iemand of iets beschrijven volgens kleur, vorm, grootte of een specifieke eigenschap. |
2.6 |
|
kunnen antwoorden op gerichte vragen in verband met betekenis, inhoud, bedoeling, mening in concrete situaties. |
2.7 |
|
kunnen in een gesprek met een eenvoudige maar relevante vraag of met commentaar reageren. |
2.8 |
|
kunnen zelf vragen stellen aan anderen die de door hen gewenste informatie leveren. |
2.9 |
|
kunnen de hulp of medewerking van anderen inroepen. |
2.10 |
|
kunnen zich inleven in duidelijk herkenbare rollen en situaties en vanuit eigen verbeelding/beleving hierop inspelen. |
2.11 |
|
hanteren bij het realiseren van de hierboven genoemde ontwikkelingsdoelen zoveel mogelijk standaard-Nederlands ondersteund door volwassenen. |
2.12 |
|
zijn bereid om eigen gevoelens en verlangens op een persoonlijke manier uit te drukken. |
2.13 |
|
beleven plezier in het gebruiken van taal en het spelen met taal in concrete situaties. |
3 Nederlands - Lezen |
||
|
|
De kleuters |
3.1 |
|
kunnen aan de hand van visueel materiaal een boodschap herscheppen. |
3.2 |
|
kunnen door symbolen voorgestelde boodschappen in verband met concrete activiteiten begrijpen. |
3.3 |
|
kunnen op materialen, in boeken, op uithangborden lettertekens onderscheiden van andere tekens. |
3.4 |
|
zijn bereid spontaan en zelfstandig voor hen bestemde boeken en andere infobronnen in te kijken. |
4 Nederlands - Schrijven |
||
|
|
De kleuters kunnen |
4.1 |
|
een ervaring, een verhaal weergeven door middel van visueel materiaal. |
4.2 |
|
met hulp van volwassenen, eigen boodschappen door middel van symbolen vastleggen en kenbaar maken. |
4.3 |
|
onvolledige eenvoudige beelden aanvullen. |
5 Nederlands - Taalbeschouwing |
||
5.1 |
|
De kleuters kunnen duidelijke vormen van mondelinge communicatie herkennen. |
5.2 |
|
Zij beseffen dat boodschappen visueel kunnen worden bewaard en daardoor opnieuw kunnen worden opgeroepen. |
5.3 |
|
Zij beseffen dat mensen door middel van het schrift boodschappen kunnen vastleggen. |
5.4 |
|
Zij beseffen dat bepaalde symbolen (pictogrammen, lettertekens, ...) dienen om boodschappen over te dragen. |
5.5 |
|
Zij stellen zich vragen bij en reflecteren over taal en taalgebruik in concrete situaties: |
|
|
|
1 Getallen |
||
|
|
De kleuters kunnen |
1.1 |
|
handelend en verwoordend de ene concrete hoeveelheid dingen vergelijken met een andere hoeveelheid dingen. Bij het verwoorden gebruiken zij daarbij de passende hoeveelheidsbegrippen. (evenveel/niet evenveel dingen, veel/weinig dingen, te veel/te weinig dingen, dingen over/dingen te kort, meer/minder dingen, meest/minst dingen). |
1.2 |
|
met aanwijzing vijf dingen correct (simultaan) tellen en daarna zeggen hoeveel dingen er geteld zijn (resultatief). |
1.3 |
|
een rangorde (tot vijfde) aanduiden en verwoorden (ordinaal tellen) als begin en richting zijn afgesproken. |
1.4 |
|
in concrete situaties rekenhandelingen uitvoeren met betrekking tot aantal en hoeveelheid. Zij kunnen deze handelingen verwoorden door de gepaste begrippen te hanteren ( evenveel maken, bijdoen, wegdoen, samentellen, vermeerderen, verminderen, verdelen). |
1.5 |
|
door handelend en verwoordend te vergelijken, aangeven dat er een bepaalde hoeveelheid dingen dezelfde blijft, hoe ze ook geplaatst of geordend zijn in de ruimte. |
2 Meten |
||
|
|
De kleuters kunnen |
2.1 |
|
handelend en verwoordend twee dingen op hun kwalitatieve eigenschap vergelijken. |
2.2 |
|
dingen kwalitatief vergelijken en samenbrengen op basis van één of twee gemeenschappelijke kenmerken. |
2.3 |
|
dingen rangschikken volgens de toenemende of afnemende mate van een welbepaald kwalitatief kenmerk. |
2.4 |
|
in concrete situaties handelingen uitvoeren met vormen, grootheden en figuren, in functie van een kwalitatief kenmerk. |
2.5 |
|
handelend en verwoordend, aangeven dat een bepaalde grootheid (lengte, inhoud, volume, gewicht, oppervlakte) van een ding dezelfde blijft, hoe dit ook geplaatst of geordend is in de ruimte. |
2.6 |
|
bij benadering een voorwerp "meten" met een zelfgekozen maateenheid. |
2.7 |
|
verandering, beweging, (snelheid) die ze met hun eigen lichaam ervaren of die ze bij voorwerpen, verschijnselen of bij andere mensen waarnemen, verwoorden. |
2.8 |
|
bij vergelijking van twee voor hen bekende activiteiten en bij voldoende duidelijke verschillen, verwoorden welke activiteit het langst en welke het kortst duurt. |
2.9 |
|
aan de hand van een kalender de dagen aftellen tussen het nu en een speciale gebeurtenis waarvan de dag is aangegeven binnen de periode van een week. |
3 Ruimte (initiatie op meetkunde) |
||
|
|
De kleuters kunnen |
3.1 |
|
handelend, in concrete situaties de begrippen "in, op, boven, onder, naast, voor, achter, eerste, laatste, tussen, schuin, op elkaar, ver weg, dicht bij, binnen, buiten, omhoog en omlaag" in hun juiste betekenis gebruiken. Zij kunnen pictogrammen in verband met "richtingen" als symbolen hanteren. |
3.2 |
|
vanuit verschillende gezichtspunten die ze zelf concreet innemen, verwoorden hoe eenzelfde voorwerp, gebouw of persoon er telkens anders uitziet. |
3.3 |
|
in een concrete situatie oplossingen vinden voor een ruimtelijk probleem. |
3.4 |
|
vanuit een patroon een rij of een reeks dingen verder zetten. In het patroon kunnen aantallen (beperkt tot 5) en/of kwalitatieve kenmerken (beperkt tot twee gemeenschappelijke) voorkomen. |
1 Wereldoriëntatie - Natuur |
||
Levende natuur |
||
|
|
De kleuters |
1.1 |
|
kunnen mensen, dieren en planten ordenen aan de hand van eenvoudige, zelfgevonden criteria. |
1.2 |
|
kunnen in verband met voortplanting van mensen en dieren, getuigenis geven van het inzicht dat: |
|
|
|
Niet-levende natuur |
||
|
|
De kleuters |
1.4 |
|
kunnen |
|
|
|
1.5 |
|
kunnen experimenteren met enkele gangbare stoffen, ze onderscheiden en groeperen volgens één zelf gevonden eigenschap. |
Algemene vaardigheden natuur |
||
|
|
De kleuters |
1.6 |
|
kunnen |
|
|
|
1.7 |
|
tonen een experimenterende en explorerende aanpak om meer te weten te komen over de natuur. |
1.8 |
|
kunnen met hulp van een volwassene, eenvoudige bronnen hanteren om meer te weten te komen over de natuur. |
Gezondheidseducatie |
||
|
|
De kleuters |
1.9 |
|
kunnen |
|
|
|
1.10 |
|
tonen goede gewoonten inzake dagelijkse hygiëne. |
1.11 |
|
weten dat ze door de inname van sommige producten en planten ziek kunnen worden. |
Milieueducatie |
||
|
|
De kleuters |
1.12 |
|
tonen een houding van zorg en respect voor de natuur. |
2 Wereldoriëntatie - Technologie |
||
|
|
De kleuters |
2.1 |
|
kunnen van voorwerpen uit hun omgeving aangeven dat ze gemaakt zijn van ijzer, steen, hout, glas, papier, textiel of plastiek. |
2.2 |
|
kunnen van eenvoudige voorwerpen uit hun omgeving aantonen dat ze bestaan uit verschillende onderdelen. |
2.3 |
|
kunnen bij eenvoudige voorwerpen uit hun omgeving de meest courante verbindingen en hechtingswijzen herkennen. |
2.4 |
|
kunnen met gangbare materialen een eenvoudige constructie maken, waarbij ze geschikt materiaal, geschikte hechtingswijzen en geschikt gereedschap kiezen. |
2.5 |
|
tonen zich bereid om veilig om te gaan met materialen en gereedschap van de klas. |
3 Wereldoriëntatie - Mens |
||
Ik en mezelf |
||
|
|
De kleuters |
3.1 |
|
kunnen bij zichzelf onderkennen wanneer zij bang, blij, boos of verdrietig zijn en kunnen dit op een eenvoudige wijze uitdrukken. |
3.2 |
|
kunnen in een eenvoudige taal een recent gebeurde situatie waarbij zij betrokken waren in dialoog met een volwassene, beschrijven en vertellen hoe zij zich daarbij voelden. |
3.3 |
|
tonen in concrete situaties voldoende zelfvertrouwen in eigen mogelijkheden. |
Ik en de ander |
||
|
|
De kleuters |
3.4 |
|
kunnen in concrete situaties verschillende manieren van omgaan met elkaar herkennen en erover praten. |
3.5 |
|
kunnen bij anderen gevoelens van bang, blij, boos en verdrietig zijn herkennen en kunnen meeleven in dit gevoel. |
3.6 |
|
weten dat mensen eenzelfde situatie op een verschillende wijze kunnen ervaren en er verschillend kunnen op reageren. |
3.7 |
|
kunnen een gevoeligheid tonen voor de behoeften van anderen. |
3.8 |
|
kunnen voor zichzelf opkomen door signalen te geven die voor anderen begrijpelijk en aanvaardbaar zijn. |
Ik en de anderen in groep |
||
|
|
De kleuters |
3.9 |
|
kennen en begrijpen omgangsvormen, leefregels en afspraken die van belang zijn voor het samenleven in een groep. |
3.10 |
|
kunnen in concrete situaties met de hulp van een volwassene afspraken maken. |
3.11 |
|
kunnen bij een activiteit of een spel in een kleine groep, controleren of de anderen zich aan de regels houden. |
4 Wereldoriëntatie - Maatschappij |
||
Sociaal-economische verschijnselen |
||
|
|
De kleuters |
4.1 |
|
kunnen beroepen en bezigheden van volwassenen die ze kennen op een eenvoudige wijze beschrijven. |
4.2 |
|
kunnen in een concrete situatie het onderscheid maken tussen geven, krijgen, ruilen, lenen, kopen en verkopen. |
Sociaal-culturele verschijnselen |
||
|
|
De kleuters |
4.3 |
|
kunnen verschillende gezinsvormen herkennen. |
4.4 |
|
herkennen vormen van afwijzend of waarderend reageren op het anders-zijn van mensen. |
4.5 |
|
beseffen dat sommige mensen een andere levenswijze hebben dan zijzelf, als ze geconfronteerd worden met beelden, informatie of mensen uit een andere cultuur. |